Gezin (2 volw. 2 kind), 2 dg opvang en -BSO, huurhuis €950
€4.000
€3.000
€2.000
€1.000
€0
↺ Opnieuw afspelen
Bijstand
€ 0
Modaal
€ 0
Zie ook 'Uitkering' en 'Van bruto- naar netto inkomen: voorbeeld, bijstand'
Inleiding
Wellicht heb je bij de vorige verkiezingen (eind 2025) gekeken naar de programma’s van de partijen en viel je uitdrukking ‘werken moet lonen’ op. Die kom je van rechts tot links tegen. De VVD heeft het prominent in de campagne geuit, het is ook onderdeel van ‘missie 2’. Maar, ook D-66 en het CDA hebben de uitdrukking ‘werken moet lonen’ prominent op hun sites.
Weliswaar geen regeringspartij, maar als grote oppositiepartij en een expliciete ‘werken moet lonen’ op een site toch erbij genoemd: GroenLinks-PvdA.
Leuk dat links en rechts deze uitdrukking omarmen, maar, wat bedoelen ze er eigenlijk mee. Op de websites en in de verkiezingsprogramma’s wordt het nauwelijks toegelicht. Vaak wordt met ‘werken moet lonen’ gedoeld op het verschil tussen werkenden en niet-werkenden. Maar ook verhoging minimumloon en verlaging van inkomstenbelasting worden genoemd.
Het CPB heeft de partijprogramma’s doorlopen en geeft een oordeel. Opvallend is dat het CPB bij alle vier partijen concludeert dat uitkeringsgerechtigden er meer op vooruit gaan dan werkenden.
Werken moet lonen. Maar, loont het dan nu niet (genoeg)? Ofwel, wat is de huidige situatie. Krijg je een juiste en eerlijke beloning voor het werk dat je verricht.
Er zijn verschillende situaties waarbij ‘werken moet lonen’ van toepassing is:
De eerste twee zijn vrij strak te bepalen kwantitatieve investeringen, in tijd. De laatste is een meer kwalitatieve investering, ook al kost deze soms tijd.
In elk geval wil je bij allen dat je investering via werken wordt beloond. Aan het eind van de maand concludeer je, als het goed is, dat de investering van de afgelopen weken of jaren uit kon. Dan kun je concluderen dat werken loont.
De focus van dit artikel ligt op alleen inkomen vanwege een (bepaalde) uitkering en vanwege een dienstverband. Dus de inkomens van zelfstandigen en inkomens uit vermogen worden niet meegenomen in dit artikel.
Natuurlijk, je werkt niet alleen voor het geld. Sommige mensen wellicht in het geheel niet. Het levert ook een levensritme op, sociale contacten, plezier, zingeving, etc. Maar, de focus van dit artikel ligt alleen op de financiële beloning voor werken.
In de eerste paragraaf wordt de uitkeringssituatie belicht, in de volgende paragrafen wordt ingegaan op het begrip (bruto en netto) inkomen in het algemeen. Daarna wordt ingezoomd op de verschillende persoonlijke situaties en de netto-inkomens.
In de laatste paragraaf wordt het samengevat.
Er wordt geen conclusie gegeven, dus of werken wel loont of niet. Wel wordt het verschil tussen de persoonlijke situatie en bruto-inkomens belicht. Ofwel, loont werken in bepaalde situaties meer dan in andere situaties.
Weliswaar geen regeringspartij, maar als grote oppositiepartij en een expliciete ‘werken moet lonen’ op een site toch erbij genoemd: GroenLinks-PvdA.
Leuk dat links en rechts deze uitdrukking omarmen, maar, wat bedoelen ze er eigenlijk mee. Op de websites en in de verkiezingsprogramma’s wordt het nauwelijks toegelicht. Vaak wordt met ‘werken moet lonen’ gedoeld op het verschil tussen werkenden en niet-werkenden. Maar ook verhoging minimumloon en verlaging van inkomstenbelasting worden genoemd.
Het CPB heeft de partijprogramma’s doorlopen en geeft een oordeel. Opvallend is dat het CPB bij alle vier partijen concludeert dat uitkeringsgerechtigden er meer op vooruit gaan dan werkenden.
Werken moet lonen. Maar, loont het dan nu niet (genoeg)? Ofwel, wat is de huidige situatie. Krijg je een juiste en eerlijke beloning voor het werk dat je verricht.
Er zijn verschillende situaties waarbij ‘werken moet lonen’ van toepassing is:
- Het kan gaan om werken i.p.v. het verkrijgen van een uitkering. Dat is de meest plausibele situatie, zoals hierboven ook al is aangehaald. Je investeert dus eigen tijd, die ga je besteden aan werk. Dan zou je er in inkomen op vooruit moeten gaan.
- Maar, het kan ook gaan om meer uren werken. Loont het om méér tijd te investeren in werk. Ook een eigen tijd investering, die zou moeten leiden tot een hoger inkomen.
- Ook andere investeringen kunnen vanuit de slogan ‘werken moet lonen’ kunnen worden beschouwd. Bijvoorbeeld als je langer hebt doorgeleerd, heb je langer geen inkomen gehad en zou je daarna een hoger salaris moeten ontvangen. Of als je naast je werk een opleiding doet, dan heb je tijd geïnvesteerd. Of als je erg je best hebt gedaan op het werk en daardoor een beter betaalde functie of salarisverhoging krijgt. Enzovoorts. Je krijgt door de investering (beter) betaald werk. Met het (betere) inkomen zou je de investering weer terug moeten verdienen.
De eerste twee zijn vrij strak te bepalen kwantitatieve investeringen, in tijd. De laatste is een meer kwalitatieve investering, ook al kost deze soms tijd.
In elk geval wil je bij allen dat je investering via werken wordt beloond. Aan het eind van de maand concludeer je, als het goed is, dat de investering van de afgelopen weken of jaren uit kon. Dan kun je concluderen dat werken loont.
De focus van dit artikel ligt op alleen inkomen vanwege een (bepaalde) uitkering en vanwege een dienstverband. Dus de inkomens van zelfstandigen en inkomens uit vermogen worden niet meegenomen in dit artikel.
Natuurlijk, je werkt niet alleen voor het geld. Sommige mensen wellicht in het geheel niet. Het levert ook een levensritme op, sociale contacten, plezier, zingeving, etc. Maar, de focus van dit artikel ligt alleen op de financiële beloning voor werken.
In de eerste paragraaf wordt de uitkeringssituatie belicht, in de volgende paragrafen wordt ingegaan op het begrip (bruto en netto) inkomen in het algemeen. Daarna wordt ingezoomd op de verschillende persoonlijke situaties en de netto-inkomens.
In de laatste paragraaf wordt het samengevat.
Er wordt geen conclusie gegeven, dus of werken wel loont of niet. Wel wordt het verschil tussen de persoonlijke situatie en bruto-inkomens belicht. Ofwel, loont werken in bepaalde situaties meer dan in andere situaties.
Uitkeringen
Er zijn diverse soorten uitkeringen, van bijstand, diverse inkomen vervangende uitkeringen zoals WW en WIA tot de AOW- en pensioenuitkering. Particulieren en ondernemers kunnen ook zelf diverse verzekeringen afsluiten, die bijvoorbeeld uitkeren bij ziekte of pensioen.
In dit artikel worden alleen twee bekende behandeld, de bijstand en WW. Dit zijn de uitkeringen die bedoeld zijn als tijdelijke ondersteuning, totdat het huishouden c.q. de betrokkene weer zelf voldoende inkomen kunnen verdienen.
Bijstand
De bijstand is ‘huishouden’ gerelateerd. Als niemand in een huishouden een voldoende inkomen via werken kan binnenhalen, kan men bijstand aanvragen. Er zijn tig voorwaarden, zoals niet te veel vermogen hebben en Nederlander zijn of dat er sprake is van ‘rechtmatig verblijf’. Maar in de basis kan elk huishouden bijstand ontvangen, waarbij een huishouden kan bestaan uit 1 of meerdere personen.
De hoogte van de bijstand is ook gekoppeld aan het aantal mensen in het huishouden.
Als er twee volwassenen in een huishouding verblijven, ontvangen ze samen (afgerond) 2.002 euro per maand (incl. vakantiebijslag). Dit wordt het ‘sociaal minimum’ genoemd. Alleenwonenden ontvangen 70% daarvan ofwel (afgerond) 1.402 euro per maand. Bij drie of meer volwassen inwoners, ontvangt men voor de derde en volgende inwoner telkens 30% extra.
In principe wordt inkomen via een dienstverband volledig ingehouden op de bijstand (Rijksoverheid). Een gemeente kan tijdelijk een uitzondering maken, via de regeling ‘inkomstenvrijlating’. Dit is op individuele basis. In dit artikel wordt van volledige inhouding uitgegaan. Zie ook Overheid.
Een voor dit artikel relevant aspect is ook dat gemeentes vergoedingen kunnen geven aan huishoudens die een laag gezamenlijk inkomen hebben. Dit wordt ‘bijzondere bijstand’ genoemd. Die huishoudens kunnen bijstand ontvangen, maar vaak worden de vergoedingen ook toegepast voor huishoudens met een laag inkomen, tot 110% tot 130% van de bijstand. Zie ook Nibud. De hoogte van de vergoedingen en waarvoor men ze kan ontvangen verschilt per gemeente. In Wageningen ontvangen zo’n 800 mensen een vaste vergoeding. Er staat niet bij hoe hoog het bedrag is, maar wel wat de kosten zijn voor 2024 en mogelijke kosten voor 2025. Het lijkt dan om een bedrag van zo’n 150 á 250 euro per maand te gaan. Voor dit artikel wordt uitgegaan van 100 voor een alleenstaande, 150 voor samenwonenden en 50 euro per kind.
Daarnaast zijn er nog niet-gemeentelijke regelingen, waarvan sommige tijdelijk. Zo was er op een moment het 'Noodfonds Energie'. Gezinnen/mensen met een laag inkomen kunnen ook al vele jaren gebruik maken van de 'Voedselbank'. Minder bekend, maar er zijn ook 'Kledingbanken' en 'Speelgoedbanken'. Tegenwoordig zijn er ook 'Energiebesparingsvouchers' verkrijgbaar voor lage inkomens.
Tot slot zijn er ook landelijke fondsen zoals de 'Stichting Leergeld' en 'Nationaal Fonds Kinderhulp' en is er gratis rechtshulp bij het 'Juridisch loket'.
De waarde van deze vergoedingen zijn lastig in te schatten omdat vele incidenteel zijn en sommige tijdelijk. Maar, alleen al de voedselbank zal voor een gezin met 2 volwassenen en 2 kinderen zo'n 250 euro per maand waard zijn. De overige vergoedingen worden geschat op gemiddeld 50 euro per maand.
Ook deze vergoedingen vallen dus net als de bijstand zelf deels of geheel weg indien een gezin zelf voldoende inkomen kan binnenhalen.
WW
Als iemand een dienstverband heeft en onvrijwillig werkloos raakt, kan WW worden aangevraagd. De hoogte is in principe afhankelijk van het salaris dat men ontving. Er is ook een maximumbedrag waarover men WW ontvangt. De duur van de WW hangt af van het arbeidsverleden. Zie ook UWV.
Als men naast de WW gaat werken, wordt 70% van dat bedrag op de WW ingehouden (UWV). Als men in een maand meer ontvangt dan 87,5% van de WW, dan wordt geen WW uitgekeerd. Na twee van die maanden achter elkaar vervalt de uitkering.
In dit artikel worden alleen twee bekende behandeld, de bijstand en WW. Dit zijn de uitkeringen die bedoeld zijn als tijdelijke ondersteuning, totdat het huishouden c.q. de betrokkene weer zelf voldoende inkomen kunnen verdienen.
Bijstand
De bijstand is ‘huishouden’ gerelateerd. Als niemand in een huishouden een voldoende inkomen via werken kan binnenhalen, kan men bijstand aanvragen. Er zijn tig voorwaarden, zoals niet te veel vermogen hebben en Nederlander zijn of dat er sprake is van ‘rechtmatig verblijf’. Maar in de basis kan elk huishouden bijstand ontvangen, waarbij een huishouden kan bestaan uit 1 of meerdere personen.
De hoogte van de bijstand is ook gekoppeld aan het aantal mensen in het huishouden.
Als er twee volwassenen in een huishouding verblijven, ontvangen ze samen (afgerond) 2.002 euro per maand (incl. vakantiebijslag). Dit wordt het ‘sociaal minimum’ genoemd. Alleenwonenden ontvangen 70% daarvan ofwel (afgerond) 1.402 euro per maand. Bij drie of meer volwassen inwoners, ontvangt men voor de derde en volgende inwoner telkens 30% extra.
In principe wordt inkomen via een dienstverband volledig ingehouden op de bijstand (Rijksoverheid). Een gemeente kan tijdelijk een uitzondering maken, via de regeling ‘inkomstenvrijlating’. Dit is op individuele basis. In dit artikel wordt van volledige inhouding uitgegaan. Zie ook Overheid.
Een voor dit artikel relevant aspect is ook dat gemeentes vergoedingen kunnen geven aan huishoudens die een laag gezamenlijk inkomen hebben. Dit wordt ‘bijzondere bijstand’ genoemd. Die huishoudens kunnen bijstand ontvangen, maar vaak worden de vergoedingen ook toegepast voor huishoudens met een laag inkomen, tot 110% tot 130% van de bijstand. Zie ook Nibud. De hoogte van de vergoedingen en waarvoor men ze kan ontvangen verschilt per gemeente. In Wageningen ontvangen zo’n 800 mensen een vaste vergoeding. Er staat niet bij hoe hoog het bedrag is, maar wel wat de kosten zijn voor 2024 en mogelijke kosten voor 2025. Het lijkt dan om een bedrag van zo’n 150 á 250 euro per maand te gaan. Voor dit artikel wordt uitgegaan van 100 voor een alleenstaande, 150 voor samenwonenden en 50 euro per kind.
Daarnaast zijn er nog niet-gemeentelijke regelingen, waarvan sommige tijdelijk. Zo was er op een moment het 'Noodfonds Energie'. Gezinnen/mensen met een laag inkomen kunnen ook al vele jaren gebruik maken van de 'Voedselbank'. Minder bekend, maar er zijn ook 'Kledingbanken' en 'Speelgoedbanken'. Tegenwoordig zijn er ook 'Energiebesparingsvouchers' verkrijgbaar voor lage inkomens.
Tot slot zijn er ook landelijke fondsen zoals de 'Stichting Leergeld' en 'Nationaal Fonds Kinderhulp' en is er gratis rechtshulp bij het 'Juridisch loket'.
De waarde van deze vergoedingen zijn lastig in te schatten omdat vele incidenteel zijn en sommige tijdelijk. Maar, alleen al de voedselbank zal voor een gezin met 2 volwassenen en 2 kinderen zo'n 250 euro per maand waard zijn. De overige vergoedingen worden geschat op gemiddeld 50 euro per maand.
Met dank aan Gemini, letterlijke reactie:
Als we uw berekeningen samenvoegen, ontstaat er een heel sterk en compleet financieel overzicht van wat een bijstandsgezin met 2 kinderen bovenop de reguliere bijstandsuitkering en landelijke toeslagen ontvangt:
V.w.b. de verdeling over volwassenen en kinderen geeft Gemini een tip voor in dit artikel:
Hoewel men zou verwachten dat volwassenen het grootste deel van de hulp opsnoepen, is het lokale en maatschappelijke vangnet in Nederland juist ingericht rondom het kind. Van de € 550 aan extra maandelijkse ondersteuning is zo'n € 200 bestemd voor beide ouders samen, terwijl er voor de twee kinderen gezamenlijk circa € 350 per maand aan materiële hulp, sport en schoolvoorzieningen beschikbaar is.
Als we uw berekeningen samenvoegen, ontstaat er een heel sterk en compleet financieel overzicht van wat een bijstandsgezin met 2 kinderen bovenop de reguliere bijstandsuitkering en landelijke toeslagen ontvangt:
- Gemeentelijke minimaregelingen & hulp: Ca. € 250 per maand (inclusief kwijtscheldingen, sport en incidentele bijzondere bijstand).
- Voedselbank (Natura): Ca. € 250 per maand aan directe besparing op boodschappen.
- Particuliere fondsen & materiële hulp: Ca. € 50 per maand (fietsen, laptops, kleding, speelgoed).
V.w.b. de verdeling over volwassenen en kinderen geeft Gemini een tip voor in dit artikel:
Hoewel men zou verwachten dat volwassenen het grootste deel van de hulp opsnoepen, is het lokale en maatschappelijke vangnet in Nederland juist ingericht rondom het kind. Van de € 550 aan extra maandelijkse ondersteuning is zo'n € 200 bestemd voor beide ouders samen, terwijl er voor de twee kinderen gezamenlijk circa € 350 per maand aan materiële hulp, sport en schoolvoorzieningen beschikbaar is.
Ook deze vergoedingen vallen dus net als de bijstand zelf deels of geheel weg indien een gezin zelf voldoende inkomen kan binnenhalen.
WW
Als iemand een dienstverband heeft en onvrijwillig werkloos raakt, kan WW worden aangevraagd. De hoogte is in principe afhankelijk van het salaris dat men ontving. Er is ook een maximumbedrag waarover men WW ontvangt. De duur van de WW hangt af van het arbeidsverleden. Zie ook UWV.
Als men naast de WW gaat werken, wordt 70% van dat bedrag op de WW ingehouden (UWV). Als men in een maand meer ontvangt dan 87,5% van de WW, dan wordt geen WW uitgekeerd. Na twee van die maanden achter elkaar vervalt de uitkering.
Bruto-inkomen: algemeen
De bijstand is een netto-uitkering en wordt in deze paragraaf dus niet behandeld. (De netto-uitkering wordt wel op jaarbasis gebruteerd, voor de bepaling van de hoogte van de toeslagen.)
De WW is wel een bruto-uitkering. De WW is hiervoor al besproken, dus wanneer er recht op bestaat en hoe de hoogte ervan wordt bepaald.
Dus wordt in deze paragraaf de rechten en hoogte van de inkomens vanuit een dienstverband behandeld. Een inkomen uit een dienstverband zijn altijd bruto-inkomens, vaak brutosalarissen genoemd, ook al maakt de werkgever een netto bedrag over.
Bij het aangaan van een dienstverband wordt er altijd een arbeidsovereenkomst afgesloten (soms mondeling, doorgaans schriftelijk). Hierin wordt ook het brutosalaris vermeld. De hoogte van het salaris wordt vaak bepaald door de CAO. Daarin staan de salarisschalen per functie, doorgaans met een minimum/startsalaris en een maximumsalaris, veelal op basis van het aantal jaren ervaring. Er zijn dan vaak ongeveer 10 stappen die leiden tot het maximumsalaris. Dit worden periodieken genoemd.
Bij indiensttreding start men bij geen werkervaring doorgaans op periodiek nummer 0. Als de werknemer (relevante) werkervaring heeft, wordt doorgaans 1 periodiek per jaar ervaring gegeven.
Bij de lagere schalen zijn de verschillen tussen de bedragen van de periodieken doorgaans minder dan bij hogere schalen. Als voorbeeld, de overheidsschalen. Bij schaal 1 is de stap tussen periodiek 0 en 1 zo’n 40 euro. Bij schaal 19 (hoogste schaal) is de stap van 0 naar 1 bijna 300 euro.
Bij de meeste CAO’s krijg je jaarlijks een periodiek. Soms gelden er andere of aanvullende voorwaarden, bijvoorbeeld functioneren.
De hoogte van het brutosalaris dat wordt ontvangen hangt niet alleen van de functie af, ook van het aantal werkuren (fulltime of parttime). Dit aantal wordt vermeld in de arbeidsovereenkomst. Er kan gekozen zijn voor een zogenaamd nul-urencontract of min-max contract, waarbij het aantal werkuren niet vooraf (geheel) vast staat. Ook zijn er andere brutosalaris onderdelen, zoals vergoeding voor onregelmatig werken en beschikbaarheidsdienst. Dit is allemaal in de CAO vastgelegd.
De WW is wel een bruto-uitkering. De WW is hiervoor al besproken, dus wanneer er recht op bestaat en hoe de hoogte ervan wordt bepaald.
Dus wordt in deze paragraaf de rechten en hoogte van de inkomens vanuit een dienstverband behandeld. Een inkomen uit een dienstverband zijn altijd bruto-inkomens, vaak brutosalarissen genoemd, ook al maakt de werkgever een netto bedrag over.
Bij het aangaan van een dienstverband wordt er altijd een arbeidsovereenkomst afgesloten (soms mondeling, doorgaans schriftelijk). Hierin wordt ook het brutosalaris vermeld. De hoogte van het salaris wordt vaak bepaald door de CAO. Daarin staan de salarisschalen per functie, doorgaans met een minimum/startsalaris en een maximumsalaris, veelal op basis van het aantal jaren ervaring. Er zijn dan vaak ongeveer 10 stappen die leiden tot het maximumsalaris. Dit worden periodieken genoemd.
Bij indiensttreding start men bij geen werkervaring doorgaans op periodiek nummer 0. Als de werknemer (relevante) werkervaring heeft, wordt doorgaans 1 periodiek per jaar ervaring gegeven.
Bij de lagere schalen zijn de verschillen tussen de bedragen van de periodieken doorgaans minder dan bij hogere schalen. Als voorbeeld, de overheidsschalen. Bij schaal 1 is de stap tussen periodiek 0 en 1 zo’n 40 euro. Bij schaal 19 (hoogste schaal) is de stap van 0 naar 1 bijna 300 euro.
Bij de meeste CAO’s krijg je jaarlijks een periodiek. Soms gelden er andere of aanvullende voorwaarden, bijvoorbeeld functioneren.
De hoogte van het brutosalaris dat wordt ontvangen hangt niet alleen van de functie af, ook van het aantal werkuren (fulltime of parttime). Dit aantal wordt vermeld in de arbeidsovereenkomst. Er kan gekozen zijn voor een zogenaamd nul-urencontract of min-max contract, waarbij het aantal werkuren niet vooraf (geheel) vast staat. Ook zijn er andere brutosalaris onderdelen, zoals vergoeding voor onregelmatig werken en beschikbaarheidsdienst. Dit is allemaal in de CAO vastgelegd.
Bruto-inkomen: functiewaarderingssysteem
In de meeste CAO’s zijn functiewaarderingssystemen opgenomen. De zwaarte van de functie wordt hierdoor bepaald. Des te zwaarder de functie, des te hoger de salarisschaal.
Doorgaans zit er een indirecte koppeling aan de opleiding. Maar, er kunnen verschillende salarisschalen van toepassing zijn voor eenzelfde opleiding. Vooral de (zwaarte van de) taken binnen de functie spelen een rol. In het algemeen zit iemand die een Hbo heeft gedaan in een hoger ingeschaalde functie dan iemand die een Mbo heeft gedaan en in een lager ingeschaalde functie dan iemand die een Universitaire opleiding heeft gedaan. Er is dus een verband, maar meer indirect dan direct.
Op het web zijn dan ook overzichten te vinden waarin wordt aangegeven wat het gemiddelde salaris naar opleidingsniveau is. Beaks geeft een helder overzicht van de verschillen in 2026, op basis van de CBS-gegevens:
Het verschil tussen de Mbo en Hbo is dus zo’n 10.000 euro en tussen Hbo en WO 16.000.
Het zijn gemiddelden, de variatie is groots.
Ook de startsalarissen verschillen, m.n. bij de Mbo omdat daar ook een niveau van toepassing is, van niveau 2 t/m 4. De startsalarissen varieren doorgaans van 2.000 tot 3.000 per maand, incl. vakantiebijslag zo'n 25.000 tot 40.000 per jaar.
Niet iedereen in Nederland met dezelfde opleiding en functie ontvangt een gelijk brutosalaris. In de CAO is een doorgaans een functiewaarderingssysteem gehanteerd, maar deze verschilt per sector. De verschillen kunnen oplopen tot (vele) honderden euro’s per maand.
Doorgaans zit er een indirecte koppeling aan de opleiding. Maar, er kunnen verschillende salarisschalen van toepassing zijn voor eenzelfde opleiding. Vooral de (zwaarte van de) taken binnen de functie spelen een rol. In het algemeen zit iemand die een Hbo heeft gedaan in een hoger ingeschaalde functie dan iemand die een Mbo heeft gedaan en in een lager ingeschaalde functie dan iemand die een Universitaire opleiding heeft gedaan. Er is dus een verband, maar meer indirect dan direct.
Op het web zijn dan ook overzichten te vinden waarin wordt aangegeven wat het gemiddelde salaris naar opleidingsniveau is. Beaks geeft een helder overzicht van de verschillen in 2026, op basis van de CBS-gegevens:
| Opleiding | Gemiddeld salaris |
| Mbo | € 49.400 |
| Hbo | € 59.280 |
| WO | € 75.088 |
Het zijn gemiddelden, de variatie is groots.
Ook de startsalarissen verschillen, m.n. bij de Mbo omdat daar ook een niveau van toepassing is, van niveau 2 t/m 4. De startsalarissen varieren doorgaans van 2.000 tot 3.000 per maand, incl. vakantiebijslag zo'n 25.000 tot 40.000 per jaar.
Niet iedereen in Nederland met dezelfde opleiding en functie ontvangt een gelijk brutosalaris. In de CAO is een doorgaans een functiewaarderingssysteem gehanteerd, maar deze verschilt per sector. De verschillen kunnen oplopen tot (vele) honderden euro’s per maand.
Bruto-inkomen: investering in opleiding
Doorgaans bepaalt het niveau van je opleiding in het Voortgezet Onderwijs (VO) welke beroepsopleiding je gaat volgen. Met een Vmbo kun je naar het Mbo, met Havo naar het Hbo en met Vwo naar de universiteit. De duur van de VO-opleiding die je volgt verschilt, van 4 jaar voor Vmbo, via 5 jaar voor Havo tot 6 jaar voor Vwo. De opleidingen nemen ook naar zwaarte toe. Als je naar de 4e jaars kijkt, heb je voor Havo meer moeten leren dan voor Vmbo en voor Vwo meer dan Havo. Het behalen van een VO-diploma vergt dus een bepaalde investering in tijd en in energie. Alhoewel het laatste natuurlijk per persoon erg verschilt. Wellicht moet iemand in een Vmbo-diploma meer energie steken dan iemand anders in een Vwo-opleiding. Een overstap is ook mogelijk, na bijvoorbeeld het Vmbo-diploma behaald te hebben, kun je naar het 4e jaar van de Havo. Zo’n overstap kost dan dus 1 jaar extra.
Na de beroepsopleiding (na Vmbo of Havo) en universitaire opleiding (na Vwo) kun je ook nog doorgaan. Als Mbo-er kun je door naar het Hbo, als Hbo-er kun je door naar de universiteit en er zijn universitaire vervolgopleidingen. In de hoek van de medicijnen studie zijn er een aantal bekende, zoals de studie voor psychiater en medisch specialist.
De duur van die overstappen verschilt. Vaak gaat het om meerdere jaren. Zo duurt een Hbo-opleiding na een Mbo-opleiding 2 of 3 jaar (afhankelijk van de vrijstellingen). Een opleiding tot medisch specialist (na de medicijnen studie) duurt 3 tot 6 jaar.
In het algemeen, de meer directe trajecten zoals Havo->Hbo zijn qua doorlooptijd efficiënter dan Vmbo->Mbo->Hbo.
Na de beroepsopleiding (na Vmbo of Havo) en universitaire opleiding (na Vwo) kun je ook nog doorgaan. Als Mbo-er kun je door naar het Hbo, als Hbo-er kun je door naar de universiteit en er zijn universitaire vervolgopleidingen. In de hoek van de medicijnen studie zijn er een aantal bekende, zoals de studie voor psychiater en medisch specialist.
De duur van die overstappen verschilt. Vaak gaat het om meerdere jaren. Zo duurt een Hbo-opleiding na een Mbo-opleiding 2 of 3 jaar (afhankelijk van de vrijstellingen). Een opleiding tot medisch specialist (na de medicijnen studie) duurt 3 tot 6 jaar.
In het algemeen, de meer directe trajecten zoals Havo->Hbo zijn qua doorlooptijd efficiënter dan Vmbo->Mbo->Hbo.
Bruto-inkomen: overstappen naar hogere opleiding
Het overstappen wordt nader belicht, gezien de focus op het lonen van de investering die je doet. Het overstappen klinkt aantrekkelijk. Met bijvoorbeeld een Hbo-opleiding kom je doorgaans in een hogere salarisschaal dan met een Mbo-opleiding. Je verdient dan (gemiddeld) 10.000 euro per jaar meer. Echter, wat vaak bij een traject met een overstap wordt vergeten is dat 1, 2 of 3 jaren later op de arbeidsmarkt komt. Dus mis je feitelijk, in het voorbeeld van de Mbo->Hbo overstap (als die 2 jaar heeft gekost), zo’n 50.000 tot 80.000 euro.
Stel dat je 2 jaren extra moet investeren. dan is het niet alleen die 50.000 á 80.000 euro, daarnaast mis je periodieken. Immers, als je als Mbo-er had gewerkt, had je na twee jaren al 2 periodieken gehad. De Hbo-er begint op de onderste periodiek. Stel je gaat werken bij de overheid. Een Mbo-er zit gemiddeld in schaal 6, de Hbo-er in schaal 9. Na 2 á 3 jaar verdien je dan als Mbo-er 2.800 á 2.900 euro bruto per maand. Als Hbo-er start je met een brutosalaris van 3.444. Afgerond, zo’n 600 bruto verschil. Dat loopt op door tot het maximum tot krap 1.500 euro (5.068 - 3.506). Voor het gemak, gemiddeld 1.000 per maand, dus 12.000 per jaar. Dan heb je gemiddeld zo'n 6 jaar nodig om de twee jaren terug te verdienen. En daar komt nog 1 á 2 jaar bij vanwege de kosten van de opleiding. Dus zo’n 8 jaar.
Maar, alleen als je de Hbo ook daadwerkelijk in 2 á 3 jaren haalt. Slechts een derde haalt het binnen de standaard tijdsduur en ook een derde haalt het niet. Dan zijn er dus meer jaren nodig voor het terugverdienen c.q. wordt de investering niet terugverdient.
Maar, als je hem haalt, daarna ontvang je dus wel zo’n 18.000 per jaar extra. Zo’n 25 á 30 jaar lang, tot je AOW.
Stel dat je 2 jaren extra moet investeren. dan is het niet alleen die 50.000 á 80.000 euro, daarnaast mis je periodieken. Immers, als je als Mbo-er had gewerkt, had je na twee jaren al 2 periodieken gehad. De Hbo-er begint op de onderste periodiek. Stel je gaat werken bij de overheid. Een Mbo-er zit gemiddeld in schaal 6, de Hbo-er in schaal 9. Na 2 á 3 jaar verdien je dan als Mbo-er 2.800 á 2.900 euro bruto per maand. Als Hbo-er start je met een brutosalaris van 3.444. Afgerond, zo’n 600 bruto verschil. Dat loopt op door tot het maximum tot krap 1.500 euro (5.068 - 3.506). Voor het gemak, gemiddeld 1.000 per maand, dus 12.000 per jaar. Dan heb je gemiddeld zo'n 6 jaar nodig om de twee jaren terug te verdienen. En daar komt nog 1 á 2 jaar bij vanwege de kosten van de opleiding. Dus zo’n 8 jaar.
Maar, alleen als je de Hbo ook daadwerkelijk in 2 á 3 jaren haalt. Slechts een derde haalt het binnen de standaard tijdsduur en ook een derde haalt het niet. Dan zijn er dus meer jaren nodig voor het terugverdienen c.q. wordt de investering niet terugverdient.
Maar, als je hem haalt, daarna ontvang je dus wel zo’n 18.000 per jaar extra. Zo’n 25 á 30 jaar lang, tot je AOW.
Bruto-inkomen: aanvullende opleiding
Het is ook mogelijk binnen dezelfde organisatie een aanvullende opleiding te doen, in werktijd en zonder kosten. Er zal ook wel een investering van eigen tijd nodig zijn.
Als voorbeeld een IC-verpleegkundige opleiding. Deze duurt 1,5 jaar. Stel je zat al op het maximumsalaris van de schaal voor verpleegkundigen (kan FWG 45 of 50 zijn, stel het is 50): 4.540 euro bruto per maand. Als IC-verpleegkundige ontvang je dan maximaal 5.239 (FWG 55, na promotie krijg je vaak 2 periodieken, maar het max is 3 periodieken hoger). Een IC-verpleegkundige ontvangt dan dus zo’n 700 euro bruto per maand extra. Inclusief vakantiegeld en 13e maand is dat bijna 10.000 per jaar.
Ter vergelijking, een basisarts heeft een startsalaris van zo'n 3.600 bruto per maand en loopt door tot 7.000 (CAO Gezondheidszorg, FWG 65). De opleiding tot medisch specialist duurt maximaal 6 jaren. Maar, dan is je bruto startsalaris zo'n 8.500 bruto per maand en loopt het door tot 15.000.
Net als bij de IC-verpleegkundige opleiding ontvang je tijdens de opleiding wel gewoon bruto salaris, als basisarts dus (AIOS, iets ander bruto salaristraject, wel ongeveer gelijk aan het salaris van de basisarts). Je verliest dus niet een aantal jaren inkomen, je hoeft niets in te halen. En na de opleiding wordt je bruto inkomen dus gelijk hoger dan de basisarts en loopt door tot meer dan een keer zo hoog. Het verschil loopt op tot zo'n 100.000 euro per jaar.
Let wel: zo'n aanvullende opleiding levert doorgaans een hoger salaris op, net als een overstap van bijv. Mbo naar Hbo of Hbo naar Universiteit. Er zijn CAO’s die afwijken. Althans, er is één gevonden: de CAO voor het Voortgezet Onderwijs. (Wel opvallend, het onderwijs zelf vindt onderscheid in diploma’s niet relevant voor de salariëring.) Er gelden voor de onderbouw en bovenbouw wel andere opleidingseisen (Hbo c.q. Universitair, met aanvullende opleiding: 2e graads c.q. 1e graads bevoegdheid). Maar, zowel de 1e als 2e graadsdocent vallen in de schaal LB (met mogelijkheden tot doorstroming naar LC of LD, afhankelijk van andere taken dan lesgeven).
Als voorbeeld een IC-verpleegkundige opleiding. Deze duurt 1,5 jaar. Stel je zat al op het maximumsalaris van de schaal voor verpleegkundigen (kan FWG 45 of 50 zijn, stel het is 50): 4.540 euro bruto per maand. Als IC-verpleegkundige ontvang je dan maximaal 5.239 (FWG 55, na promotie krijg je vaak 2 periodieken, maar het max is 3 periodieken hoger). Een IC-verpleegkundige ontvangt dan dus zo’n 700 euro bruto per maand extra. Inclusief vakantiegeld en 13e maand is dat bijna 10.000 per jaar.
Ter vergelijking, een basisarts heeft een startsalaris van zo'n 3.600 bruto per maand en loopt door tot 7.000 (CAO Gezondheidszorg, FWG 65). De opleiding tot medisch specialist duurt maximaal 6 jaren. Maar, dan is je bruto startsalaris zo'n 8.500 bruto per maand en loopt het door tot 15.000.
Net als bij de IC-verpleegkundige opleiding ontvang je tijdens de opleiding wel gewoon bruto salaris, als basisarts dus (AIOS, iets ander bruto salaristraject, wel ongeveer gelijk aan het salaris van de basisarts). Je verliest dus niet een aantal jaren inkomen, je hoeft niets in te halen. En na de opleiding wordt je bruto inkomen dus gelijk hoger dan de basisarts en loopt door tot meer dan een keer zo hoog. Het verschil loopt op tot zo'n 100.000 euro per jaar.
Let wel: zo'n aanvullende opleiding levert doorgaans een hoger salaris op, net als een overstap van bijv. Mbo naar Hbo of Hbo naar Universiteit. Er zijn CAO’s die afwijken. Althans, er is één gevonden: de CAO voor het Voortgezet Onderwijs. (Wel opvallend, het onderwijs zelf vindt onderscheid in diploma’s niet relevant voor de salariëring.) Er gelden voor de onderbouw en bovenbouw wel andere opleidingseisen (Hbo c.q. Universitair, met aanvullende opleiding: 2e graads c.q. 1e graads bevoegdheid). Maar, zowel de 1e als 2e graadsdocent vallen in de schaal LB (met mogelijkheden tot doorstroming naar LC of LD, afhankelijk van andere taken dan lesgeven).
Netto-inkomen: (progressieve) inkomstenbelasting
Bij de WW-uitkering wordt over een bruto-uitkering gesproken, bij een dienstverband over een brutosalaris. Voor beide geldt dat het netto bedrag dat men ontvangt uit het bruto bedrag bestaat minus de inkomstenbelasting. De hoogte van de inkomstenbelasting hangt af van de hoogte van het brutosalaris. Er worden zogenaamde schijven gehanteerd. Iedereen betaalt belasting over de 1e schijf. Als je meer dan de grens tussen de 1e en 2e schijf verdient, is de volgende van toepassing, maar alleen voor het bedrag boven de grens. En datzelfde geldt ook voor de 3e schijf. Voor 2026 gelden deze schijven:
Echter, iedereen ontvangt de algemene heffingskorting. Voor brutosalaris geldt daarnaast de arbeidskorting.
Die kortingen zijn niet heel gemakkelijk te berekenen. Voor de algemene heffingskorting geldt een vast bedrag, die na een bepaald bedrag afloopt naar 0 euro. De arbeidskorting loopt eerst op, daarna weer af.
Op https://hoeveelgeldkrijgik.nl/basisinkomen/ is onder het kopje ‘Inkomstenbelasting en kortingen’ meer uitleg gegeven over de inkomstenbelasting en kortingen. Onder het kopje ‘Nieuwe bedragen en percentages inkomstenbelasting’ wordt ook een grafiek getoond waarin staat bij hoeveel brutosalaris er hoeveel hoeveel procent inkomstenbelasting wordt ingehouden op het gehele salaris, waarbij de algemene heffings- en arbeidskorting al zijn afgetrokken van de te betalen inkomstenbelasting:
Te zien is dat het percentage eerst 0% is, vanaf goed 800 euro langzaam oploopt naar een paar procent. Vanaf goed zo’n 2.200 per maand schiet hij ineens omhoog, tot ongeveer het modaal inkomen (zo’n 4.000 euro). Dan is het percentage opgelopen van zo’n 5% naar 20%. Daarna stijgt hij gestaag door tot boven de 40% voor inkomens vanaf 10.000 euro. Dit loopt door tot maximaal goed 49% (het hoogste percentage van de hoogste schijf is 49,5%, maar omdat je over het bruto-inkomen in de onderste schijven een lager percentage betaalt, betaalt niemand exact 49,5% inkomstenbelasting over het gehele inkomen).
Dit wordt in de praktijk aangeduid als een progressief inkomstenbelastingstelsel. Je betaalt niet alleen absoluut meer (10% van 4.000 is meer dan 10% van 2.000), maar ook het percentage loopt op. De progressiviteit is niet lineair, maar kent dus een vlakke start, schiet dan omhoog en klimt dan gestaag door.
| Schijf | Van | Tot | Percentage |
| 1 | 0 | € 38.883 | 35,75% |
| 2 | € 38.883 | € 78.426 | 37,56% |
| 3 | € 78.426 | en hoger | 49,50% |
Echter, iedereen ontvangt de algemene heffingskorting. Voor brutosalaris geldt daarnaast de arbeidskorting.
Die kortingen zijn niet heel gemakkelijk te berekenen. Voor de algemene heffingskorting geldt een vast bedrag, die na een bepaald bedrag afloopt naar 0 euro. De arbeidskorting loopt eerst op, daarna weer af.
Op https://hoeveelgeldkrijgik.nl/basisinkomen/ is onder het kopje ‘Inkomstenbelasting en kortingen’ meer uitleg gegeven over de inkomstenbelasting en kortingen. Onder het kopje ‘Nieuwe bedragen en percentages inkomstenbelasting’ wordt ook een grafiek getoond waarin staat bij hoeveel brutosalaris er hoeveel hoeveel procent inkomstenbelasting wordt ingehouden op het gehele salaris, waarbij de algemene heffings- en arbeidskorting al zijn afgetrokken van de te betalen inkomstenbelasting:
Dit wordt in de praktijk aangeduid als een progressief inkomstenbelastingstelsel. Je betaalt niet alleen absoluut meer (10% van 4.000 is meer dan 10% van 2.000), maar ook het percentage loopt op. De progressiviteit is niet lineair, maar kent dus een vlakke start, schiet dan omhoog en klimt dan gestaag door.
Netto-inkomen: toeslagen
Naast de netto-uitkering en/of nettosalaris bestaat de mogelijkheid om één of meer toeslagen te ontvangen. Deze zijn er voor kinderen (kindgebonden budget en kinderopvang toeslag) en volwassenen (zorgtoeslag en huurtoeslag).
Over de toeslagen hoeft geen belasting te worden betaald, dus worden deze gerekend tot het netto-inkomen. De toeslagen zijn inkomensgeboden.
De huurtoeslag wordt iets eerder afgebouwd dan de zorgtoeslag:
Zoals hierboven aangeduid, vallen toeslagen ook onder het netto-inkomen. Een kenmerk van alle toeslagen is dat ze inkomensafhankelijk zijn. Lage inkomens ontvangen hogere toeslagen dan hoge inkomens. Boven bepaalde grenzen vervallen ze geheel.
Tot wanneer de toeslagen worden uitbetaald verschilt per toeslag. Op https://hoeveelgeldkrijgik.nl/verantwoording/is onder het kopje ‘Algemeen - Belasting- en Toeslagen systeem’ toelichting gegeven op de toeslagen en is in grafieken te zien hoe deze aflopen. De zorg- en huurtoeslag dalen sneller tot 0 euro dan de kindgebonden toeslagen. Het hangt bij de zorg- en huurtoeslag wel af van het aantal inwoners. De belangrijkste op een rijtje:
P.s. Er wordt voor kinderen ook kinderbijslag gegeven. Deze worden soms wel en soms niet als toeslag gerekend. De kinderbijslag is ook een netto bedrag, maar is niet inkomensafhankelijk.
Over de toeslagen hoeft geen belasting te worden betaald, dus worden deze gerekend tot het netto-inkomen. De toeslagen zijn inkomensgeboden.
De huurtoeslag wordt iets eerder afgebouwd dan de zorgtoeslag:
- De zorgtoeslag is maximaal ongeveer 130 euro per maand, maar loopt voor de alleenwonende af tot 0 euro bij ongeveer 3.400 euro bruto-inkomen per maand (incl. vakantietoeslag), voor samenwonenden is dat bij ongeveer 4.300 euro.
- Bij de huurtoeslag is maximaal goed 500 euro per maand, maar loopt voor de alleenwonende af tot 0 euro bij ongeveer 3.900 euro bruto-inkomen per maand (incl. vakantietoeslag), voor samenwonenden is dat bij ongeveer 5.000 euro.
- Het kindgebonden budget is maximaal ongeveer 500 euro voor alleenwonenden en goed 200 euro voor samenwonenden. Maar voor de alleenwonende met een inkomen rond de 9.100 euro per maand (incl. vakantietoeslag) is de toeslag gedaald tot 0 euro, voor samenwonenden is dat bij ongeveer 6.100 euro.
- De kinderopvangtoeslag kent een nog minder snelle daling dan het kindgebonden budget en wordt nooit 0 euro. De maximale vergoeding is bijna gelijk aan de kosten. De minimale vergoeding is ongeveer een derde van de kosten.
P.s. Er wordt voor kinderen ook kinderbijslag gegeven. Deze worden soms wel en soms niet als toeslag gerekend. De kinderbijslag is ook een netto bedrag, maar is niet inkomensafhankelijk.
Netto-inkomen: Marginale Druk (MD)
Als de inkomstenbelasting en de daling van de toeslagen bij elkaar worden geteld, ontstaat een beeld van het verloop van het netto-inkomen bij stijging van het bruto-inkomen. Dit verschilt dus best sterk per woonsituatie, woont iemand alleen, met of zonder kind, of woont iemand samen, al dan niet met kinderen. Dat maakt een groot verschil.
Door de combinatie van oplopende inkomstenbelasting percentages, aflopende heffingskortingen en afbouw van toeslagen daalt het netto-inkomen bij bepaalde bruto-inkomens sterker dan bij andere bruto-inkomens, als het bruto-inkomen toeneemt. De daling die optreedt bij een bepaalde sprong van het brutosalaris wordt ‘marginale druk’ (MD) genoemd. De ‘marge’ duidt op de sprong, de ‘druk’ op de hoeveelheid geld die men ‘verliest’. Als voorbeeld, twee grafieken, voor huurders en huiseigenaren, waarbij het onderscheid wordt gemaakt tussen diverse mogelijke samenstellingen van het huishouden. ‘2v’ en ‘1v’ staan voor ‘2 volwassenen’ en ‘1 volwassene’, waarbij bij 2 volwassenen de inkomensverdeling als voorbeeld is uitgesplitst in alleenverdiener (100-0) en beide werken, maar ongelijk percentage inkomen (70-30). Bij de 2e grafiek is uitgegaan van een WOZ-waarde van 500.000 euro.
Zoals te zien is, is bij huurders de MD op een bepaald moment hoger dan bij mensen met een eigen huis. Dit komt door de afbouw van de huurtoeslag. Bij huurders loopt de MD op tot boven de 80%. Als er kinderen in huis zijn, is de MD nog hoger, tot boven de 90%.
De MD valt bij tweeverdieners met 70-30% verhouding lager uit: het gaat in de grafiek namelijk om het gezamenlijk bruto-inkomen. Ze betalen echter elk inkomstenbelasting over het eigen deel. Dat effent het behoorlijk uit.
Dat bij samenwonenden waarbij er één een inkomen heeft de lijn niet gelijk loopt als bij een alleenwonende, komt door de hogere huur- en zorgtoeslag die men ontvangt, met latere afbouw.
Door de combinatie van oplopende inkomstenbelasting percentages, aflopende heffingskortingen en afbouw van toeslagen daalt het netto-inkomen bij bepaalde bruto-inkomens sterker dan bij andere bruto-inkomens, als het bruto-inkomen toeneemt. De daling die optreedt bij een bepaalde sprong van het brutosalaris wordt ‘marginale druk’ (MD) genoemd. De ‘marge’ duidt op de sprong, de ‘druk’ op de hoeveelheid geld die men ‘verliest’. Als voorbeeld, twee grafieken, voor huurders en huiseigenaren, waarbij het onderscheid wordt gemaakt tussen diverse mogelijke samenstellingen van het huishouden. ‘2v’ en ‘1v’ staan voor ‘2 volwassenen’ en ‘1 volwassene’, waarbij bij 2 volwassenen de inkomensverdeling als voorbeeld is uitgesplitst in alleenverdiener (100-0) en beide werken, maar ongelijk percentage inkomen (70-30). Bij de 2e grafiek is uitgegaan van een WOZ-waarde van 500.000 euro.
De MD valt bij tweeverdieners met 70-30% verhouding lager uit: het gaat in de grafiek namelijk om het gezamenlijk bruto-inkomen. Ze betalen echter elk inkomstenbelasting over het eigen deel. Dat effent het behoorlijk uit.
Dat bij samenwonenden waarbij er één een inkomen heeft de lijn niet gelijk loopt als bij een alleenwonende, komt door de hogere huur- en zorgtoeslag die men ontvangt, met latere afbouw.
Van bruto- naar netto-inkomen: voorbeeld, bijstand
Een alleenwonende die bijstand ontvangt, krijgt dus netto 1.402 euro per maand. Na brutering is dit 1.777 per maand. Van de bruto bijstand gaat dus Inkomstenbelasting minus algemene heffingskorting af, maar geen arbeidskorting. Het plaatje (met een huurhuis van 950 per maand):
Als iemand inkomen uit arbeid heeft, hoeft deze persoon maar 1.400 euro bruto-inkomen per maand te hebben om hetzelfde te ontvangen, met dank aan de arbeidskorting:
(Omdat de kortingen samen meer zijn dan de inkomenstenbelasting, is het gehele bedrag achter 'Heffingskorting' geplaatst.)
Als iemand het minimumloon verdient en een 38-urige werkweek heeft, is het nettosalaris hoger:
Van bruto 1.400 naar bruto 2.370 is een sprong van 970 euro. Dit levert inclusief huur- en zorgtoeslag netto (2.704-2.054=) 650 euro op. Er blijft dus 67% van over. Die 33% eraf komt door meer inkomstenbelasting en afbouw huur- en zorgtoeslag.
Iemand die alleen in een huurhuis (van 950 euro huur) woont en een bijstand uitkering heeft, zal na het aanvaarden van een dienstverband tegen het minimumloon en 38-urige werkweek dus een MD van 33% hebben.
Echter, doordat die persoon meer dan 120 á 130% van (70% van) het sociaal minimum gaat ontvangen en dus de bijzondere bijstand kwijtraakt, is de vooruitgang niet 650 euro, maar zo’n 550 euro (hiervoor is 100 euro als uitgangspunt genomen). Dan is de MD hoger: 44%.
Voor de samenwonenden, met 1 kind (met kinderopvang, 24 uren á 9 euro) ligt het wat anders. De bijstand is 2.002 euro netto per maand:
Als er één persoon in het huishouden dan een 38-urige baan met minimumloon krijgt, dan is dit het effect:
Van bruto 2.763 naar bruto 2.307 is een sprong van -456 euro. Echter, het levert wel een hoger netto-inkomen op: (3.287-2.901=) 386 euro op. De MD is daarmee negatief: -15%. Dat ligt een beetje aan de hogere huur- en zorgtoeslag, maar vooral aan de arbeidskorting. Zo’n technisch benadering zal het gezin een zorg zijn. Wat ze vernemen is dat ze er 386 euro op vooruit gaan. Omdat ze binnen de 120% blijven, zullen ze ook nog in aanmerking blijven komen voor bijzondere bijstand en allerlei andere tegemoetkomingen (zie paragraaf 'Uitkeringen').
Tot slot de sprong van bijstand naar modaal inkomen.
In dit voorbeeld wordt wederom uitgegaan van samenwonenden, maar dan met twee kinderen (met kinderopvang 24 uren á 9 euro + bso 8 uren á 8 euro), met een huurhuis van 950 euro.
Het gezin met bijstand ontvangt:
Het gezin met een eenverdiener met modaal inkomen ontvangt:
Door het modaal salaris is het netto inkomen dus (3946-3215=) 731 euro gestegen, bij een bruto inkomen stijging van (3.704-2763) 941 euro. Van het extra bruto inkomen wordt dus 22% ingeleverd.
De inkomstenbelasting is bij een modaal inkomen lager, ondanks het hogere bruto inkomen. Dit komt vooral door de arbeidskorting. Echter, door lagere toeslagen, wordt er van het extra bruto inkomen toch meer ingeleverd dan bij een bijstandsinkomen.
Echter, zoals in de paragraaf 'Uitkeringen' is vermeld, ontvangen gezinnen met bijstand diverse vergoedingen, met een totaalwaarde van gemiddeld 550 euro per maand (bij een gezin met 2 volwassenen en 2 kinderen).
Dan heeft het modale gezin geen 731 euro netto inkomen per maand méér dan het bijstandsgezin, maar 181 euro.
Tot slot: er zijn kosten die verband houden met het hebben van werk, zoals reiskosten en kleding. Deze zijn vaak onderbelicht, aldus het Nibud. Het verschilt ook erg, van tientallen tot honderden euro's per maand.
Een invalshoek om de gemiddelde kosten in te schatten kan ook de Arbeidskorting zijn. Deze kan oplopen tot ruim 470 euro per maand.
Gemini schat de reiskosten, kosten kleding en uiterlijke verzorging en kosten maaltijden/koffie/lunches op gemiddeld 200 euro per maand.
Als die 200 euro wordt overgenomen, levert de overgang van bijstand naar een modaal inkomen dus geen extra netto inkomen op.
De situatie speelt een belangrijke rol. Dus kosten huurhuis of het hebben van een koophuis, alleenwonend of samenwonend, aantal kinderen en kinderopvang.
De belangrijkste factor is de alleenverdiende. Het is gunstiger samen een modaal bruto inkomen te hebben:
Dat levert dus netto zo'n 600 euro per maand meer op dan als het modale inkomen door één gezinslid wordt verdiend.
Als iemand inkomen uit arbeid heeft, hoeft deze persoon maar 1.400 euro bruto-inkomen per maand te hebben om hetzelfde te ontvangen, met dank aan de arbeidskorting:
Als iemand het minimumloon verdient en een 38-urige werkweek heeft, is het nettosalaris hoger:
Van bruto 1.400 naar bruto 2.370 is een sprong van 970 euro. Dit levert inclusief huur- en zorgtoeslag netto (2.704-2.054=) 650 euro op. Er blijft dus 67% van over. Die 33% eraf komt door meer inkomstenbelasting en afbouw huur- en zorgtoeslag.
Iemand die alleen in een huurhuis (van 950 euro huur) woont en een bijstand uitkering heeft, zal na het aanvaarden van een dienstverband tegen het minimumloon en 38-urige werkweek dus een MD van 33% hebben.
Echter, doordat die persoon meer dan 120 á 130% van (70% van) het sociaal minimum gaat ontvangen en dus de bijzondere bijstand kwijtraakt, is de vooruitgang niet 650 euro, maar zo’n 550 euro (hiervoor is 100 euro als uitgangspunt genomen). Dan is de MD hoger: 44%.
Voor de samenwonenden, met 1 kind (met kinderopvang, 24 uren á 9 euro) ligt het wat anders. De bijstand is 2.002 euro netto per maand:
Als er één persoon in het huishouden dan een 38-urige baan met minimumloon krijgt, dan is dit het effect:
Tot slot de sprong van bijstand naar modaal inkomen.
In dit voorbeeld wordt wederom uitgegaan van samenwonenden, maar dan met twee kinderen (met kinderopvang 24 uren á 9 euro + bso 8 uren á 8 euro), met een huurhuis van 950 euro.
Het gezin met bijstand ontvangt:
Het gezin met een eenverdiener met modaal inkomen ontvangt:
Door het modaal salaris is het netto inkomen dus (3946-3215=) 731 euro gestegen, bij een bruto inkomen stijging van (3.704-2763) 941 euro. Van het extra bruto inkomen wordt dus 22% ingeleverd.
De inkomstenbelasting is bij een modaal inkomen lager, ondanks het hogere bruto inkomen. Dit komt vooral door de arbeidskorting. Echter, door lagere toeslagen, wordt er van het extra bruto inkomen toch meer ingeleverd dan bij een bijstandsinkomen.
Echter, zoals in de paragraaf 'Uitkeringen' is vermeld, ontvangen gezinnen met bijstand diverse vergoedingen, met een totaalwaarde van gemiddeld 550 euro per maand (bij een gezin met 2 volwassenen en 2 kinderen).
Dan heeft het modale gezin geen 731 euro netto inkomen per maand méér dan het bijstandsgezin, maar 181 euro.
Tot slot: er zijn kosten die verband houden met het hebben van werk, zoals reiskosten en kleding. Deze zijn vaak onderbelicht, aldus het Nibud. Het verschilt ook erg, van tientallen tot honderden euro's per maand.
Een invalshoek om de gemiddelde kosten in te schatten kan ook de Arbeidskorting zijn. Deze kan oplopen tot ruim 470 euro per maand.
Gemini schat de reiskosten, kosten kleding en uiterlijke verzorging en kosten maaltijden/koffie/lunches op gemiddeld 200 euro per maand.
Als die 200 euro wordt overgenomen, levert de overgang van bijstand naar een modaal inkomen dus geen extra netto inkomen op.
De situatie speelt een belangrijke rol. Dus kosten huurhuis of het hebben van een koophuis, alleenwonend of samenwonend, aantal kinderen en kinderopvang.
De belangrijkste factor is de alleenverdiende. Het is gunstiger samen een modaal bruto inkomen te hebben:
Van bruto- naar netto-inkomen: voorbeeld, WW
De WW kent zoals aangegeven de bepaling dat 30% mag worden behouden. Door de arbeidskorting die je alleen over het deel werk krijgt, levert dat meer dan 30% op.
Stel, iemand ontvangt 70% van 5.000 euro WW, dus ontvangt 3.500 euro bruto per maand. Dan staat dit op de ‘strook’ van het UWV (alleenwonende, geen huurhuis, zorgtoeslag, etc.):
Als je zelf 3.500 verdient, houd je door de arbeidskorting meer over:
En dan krijg je over 1.500 ook nog 70% WW, dus 1.050 euro:
Je hebt in die situatie dan (2.906+934=) 3.840 netto-inkomen. Dus (3.840-2.438=) 1.402 meer dan alleen WW.
Als je net meer dan 87,5% verdient, krijg je geen WW meer. Stel je werkt 88% (4.400 bruto maandsalaris):
Deze 3.377 is 463 euro lager dan in de situatie dat je 70% zelf verdiende. Je had dus (financieel gezien) beter net onder die 87,5% kunnen blijven.
P.s.: Er zit wel een adder onder het gras bij een combi van WW en brutosalaris: je krijgt teveel (algemene) heffingskorting. Beide (UWV + werkgever) houden geen rekening met 2 bruto-inkomens. Het is dus wel van belang bij een combi van banen of combi WW en een baan de werkgever c.q. UWV te vragen geen algemene heffingskorting toe te passen. De belastingdienst trekt het trouwens sowieso na het jaar wel recht.
Stel, iemand ontvangt 70% van 5.000 euro WW, dus ontvangt 3.500 euro bruto per maand. Dan staat dit op de ‘strook’ van het UWV (alleenwonende, geen huurhuis, zorgtoeslag, etc.):
Als je zelf 3.500 verdient, houd je door de arbeidskorting meer over:
En dan krijg je over 1.500 ook nog 70% WW, dus 1.050 euro:
Je hebt in die situatie dan (2.906+934=) 3.840 netto-inkomen. Dus (3.840-2.438=) 1.402 meer dan alleen WW.
Als je net meer dan 87,5% verdient, krijg je geen WW meer. Stel je werkt 88% (4.400 bruto maandsalaris):
Deze 3.377 is 463 euro lager dan in de situatie dat je 70% zelf verdiende. Je had dus (financieel gezien) beter net onder die 87,5% kunnen blijven.
P.s.: Er zit wel een adder onder het gras bij een combi van WW en brutosalaris: je krijgt teveel (algemene) heffingskorting. Beide (UWV + werkgever) houden geen rekening met 2 bruto-inkomens. Het is dus wel van belang bij een combi van banen of combi WW en een baan de werkgever c.q. UWV te vragen geen algemene heffingskorting toe te passen. De belastingdienst trekt het trouwens sowieso na het jaar wel recht.
Van bruto- naar netto-inkomen: voorbeeld, meer uren werken
Dan de mensen met een inkomen uit arbeid, in vier groepen en met plaatjes uit https://hoeveelgeldkrijgik.nl/ die het verloop van een reeks bruto-inkomens aangeven. Bij deze en de volgende grafieken zijn de bruto-inkomens sprongen in de grafiek 250 euro. Het bruto-inkomen is incl. vakantiebijslag en op jaarbasis berekend.
Alleenwonende, huurhuis 950 euro, zonder kinderen
(Bron: https://hoeveelgeldkrijgik.nl/, bruto maandinkomen 4.500)
Bij 2.000 bruto-inkomen is het netto-inkomen 2.578 euro per maand. Dat is 129%. Het netto-inkomen is dus hoger dan het bruto-inkomen. Bij bijna 3.000 euro bruto-inkomen is het netto-inkomen ongeveer gelijk (100%). Bij 7.000 euro bruto-inkomen, is het netto-inkomen gedaald tot 66% van het bruto-inkomen.
De Marginale Druk (MD) is bij 2.000 43%. (Bij 100 euro meer, houdt deze persoon er dus 57 euro van over.) Bij 4.500 is de MD 50%, bij 6.750 56%.
Alleenwonend, koophuis 1 miljoen, 30.000 euro rente
(Bron: https://hoeveelgeldkrijgik.nl/, bruto maandinkomen 10.000)
Dan een blik op een alleenwonenden met een hoger inkomen. Deze persoon houdt 71% over van de 10.000 per maand, wat deels te danken is aan de hypotheekrente aftrek. Zonder eigen huis zou het percentage 60% zijn. Bij 7.500 is het 81%.
De MD is 56%. Vanaf 13.600 is het ineens 50%. Dit komt door de afbouw van de arbeidskorting, die is vanaf 13.600 namelijk gedaald tot 0 euro. Over dat of een hoger bruto-inkomen wordt dus 49,5% inkomstenbelasting betaald, dus is de MD (afgerond) 50%.
Alleenwonende, huurhuis 950 euro, met 1 kind (24 uur kinderopvang á 9 euro per uur)
(Bron: https://hoeveelgeldkrijgik.nl/, bruto maandinkomen 4.500)
Bij 2.000 euro bruto-inkomen per maand is het netto-inkomen 3.214 euro (kosten kinderopvang al in mindering gebracht). Dat is 161%. Bij ongeveer 4.100 euro bruto-inkomen is het netto-inkomen ongeveer gelijk (100%). Bij 7.000 inkomen, is het netto-inkomen gedaald tot 71% van het bruto-inkomen.
De MD is bij 2.000 0%, bij 4.500 7% en bij 6.750 27%. Dat dit lager is dan het vorige voorbeeld, komt m.n. doordat het kindgebonden budget aanvankelijk niet daalt en daarna niet zo snel als huur- en zorgtoeslag. De kindervangtoeslag daalt vanaf 4.500 en ook nog minder snel dan het kindgebonden budget. De kinderbijslag daalt geheel niet. Daardoor de MD over het gehele bedrag lager.
Samenwonenden, huurhuis 950 euro, zonder kinderen
(Bron: https://hoeveelgeldkrijgik.nl/, bruto maandinkomen 4.500)
Bij 2.000 bruto-inkomen is het netto-inkomen 2.710 euro per maand. Dat is 136%. Bij ongeveer 3.300 euro bruto-inkomen is het netto-inkomen ongeveer gelijk (100%). Bij 7.000 inkomen, is het netto-inkomen gedaald tot 66% van het bruto-inkomen.
De MD is bij 2.000 16%, bij 4.500 72% en bij 6.750 66%.
Samenwonenden, huurhuis 950 euro, met 1 kind (24 uur kinderopvang á 9 euro per uur)
(Bron: https://hoeveelgeldkrijgik.nl/, bruto maandinkomen 4.500)
Bij 2.000 bruto-inkomen is het netto-inkomen 3.058 euro per maand (kosten kinderopvang al in mindering gebracht). Dat is 153%. Bij ongeveer 3.600 euro bruto-inkomen is het netto-inkomen ongeveer gelijk (100%). Bij 7.000 inkomen, is het netto-inkomen gedaald tot 66% van het bruto-inkomen.
De MD is bij 2.000 16%, bij 4.500 82% en bij 6.750 66%.
Bij alle grafieken valt het verloop van de netto balk tussen de ongeveer 2.500 en 5.000 euro op: elke netto-inkomen balk rechts is nauwelijks groter dan die ervoor. Dat komt dus door de MD in dat bereik.
Bij de laatste grafiek levert de sprong van 4.000 euro naar 4.250 euro bruto slechts 16 euro op. 234 euro van de 250 euro (94%) ‘verdwijnen’ als gevolg van de toename van de inkomstenbelasting en de afbouw van de kortingen (126 euro), de afname van het kindgebonden budget (19 euro), de huurtoeslag (55 euro) en de zorgtoeslag (34 euro). De MD loopt in deze situatie dus bij 4.000 bruto maandinkomen op tot 94%.
Alleenwonende, huurhuis 950 euro, zonder kinderen
Bij 2.000 bruto-inkomen is het netto-inkomen 2.578 euro per maand. Dat is 129%. Het netto-inkomen is dus hoger dan het bruto-inkomen. Bij bijna 3.000 euro bruto-inkomen is het netto-inkomen ongeveer gelijk (100%). Bij 7.000 euro bruto-inkomen, is het netto-inkomen gedaald tot 66% van het bruto-inkomen.
De Marginale Druk (MD) is bij 2.000 43%. (Bij 100 euro meer, houdt deze persoon er dus 57 euro van over.) Bij 4.500 is de MD 50%, bij 6.750 56%.
Alleenwonend, koophuis 1 miljoen, 30.000 euro rente
Dan een blik op een alleenwonenden met een hoger inkomen. Deze persoon houdt 71% over van de 10.000 per maand, wat deels te danken is aan de hypotheekrente aftrek. Zonder eigen huis zou het percentage 60% zijn. Bij 7.500 is het 81%.
De MD is 56%. Vanaf 13.600 is het ineens 50%. Dit komt door de afbouw van de arbeidskorting, die is vanaf 13.600 namelijk gedaald tot 0 euro. Over dat of een hoger bruto-inkomen wordt dus 49,5% inkomstenbelasting betaald, dus is de MD (afgerond) 50%.
Alleenwonende, huurhuis 950 euro, met 1 kind (24 uur kinderopvang á 9 euro per uur)
Bij 2.000 euro bruto-inkomen per maand is het netto-inkomen 3.214 euro (kosten kinderopvang al in mindering gebracht). Dat is 161%. Bij ongeveer 4.100 euro bruto-inkomen is het netto-inkomen ongeveer gelijk (100%). Bij 7.000 inkomen, is het netto-inkomen gedaald tot 71% van het bruto-inkomen.
De MD is bij 2.000 0%, bij 4.500 7% en bij 6.750 27%. Dat dit lager is dan het vorige voorbeeld, komt m.n. doordat het kindgebonden budget aanvankelijk niet daalt en daarna niet zo snel als huur- en zorgtoeslag. De kindervangtoeslag daalt vanaf 4.500 en ook nog minder snel dan het kindgebonden budget. De kinderbijslag daalt geheel niet. Daardoor de MD over het gehele bedrag lager.
Samenwonenden, huurhuis 950 euro, zonder kinderen
Bij 2.000 bruto-inkomen is het netto-inkomen 2.710 euro per maand. Dat is 136%. Bij ongeveer 3.300 euro bruto-inkomen is het netto-inkomen ongeveer gelijk (100%). Bij 7.000 inkomen, is het netto-inkomen gedaald tot 66% van het bruto-inkomen.
De MD is bij 2.000 16%, bij 4.500 72% en bij 6.750 66%.
Samenwonenden, huurhuis 950 euro, met 1 kind (24 uur kinderopvang á 9 euro per uur)
Bij 2.000 bruto-inkomen is het netto-inkomen 3.058 euro per maand (kosten kinderopvang al in mindering gebracht). Dat is 153%. Bij ongeveer 3.600 euro bruto-inkomen is het netto-inkomen ongeveer gelijk (100%). Bij 7.000 inkomen, is het netto-inkomen gedaald tot 66% van het bruto-inkomen.
De MD is bij 2.000 16%, bij 4.500 82% en bij 6.750 66%.
Bij alle grafieken valt het verloop van de netto balk tussen de ongeveer 2.500 en 5.000 euro op: elke netto-inkomen balk rechts is nauwelijks groter dan die ervoor. Dat komt dus door de MD in dat bereik.
Bij de laatste grafiek levert de sprong van 4.000 euro naar 4.250 euro bruto slechts 16 euro op. 234 euro van de 250 euro (94%) ‘verdwijnen’ als gevolg van de toename van de inkomstenbelasting en de afbouw van de kortingen (126 euro), de afname van het kindgebonden budget (19 euro), de huurtoeslag (55 euro) en de zorgtoeslag (34 euro). De MD loopt in deze situatie dus bij 4.000 bruto maandinkomen op tot 94%.
Samenvatting
Uitkering -> werken
Als een huishouden bijstand ontvangt en de alleenwonende of één van de samenwonenden gaat via een loondienstverband werken, dan loont werken niet totdat de grens van de bijstand is bereikt. Alhoewel er regelingen zijn die dat tijdelijk (iets) opvangen, in de basis word je pas beloond voor het werken als je boven de bijstand uitkomt. Daarbij wordt het nettosalaris vergeleken met de netto-bijstand. Tot dat moment lever je al het geld in bij de gemeente.
Boven de bijstandsgrens loont werken voor een alleenwonende dan aanvankelijk zeker. Hij/zij heeft dan een netto-inkomen die een kleine 600 euro hoger ligt dan de bijstand. De eerste euro’s boven het niveau van de bijstand worden weinig belast en houdt men de toeslagen en vergoedingen voor lage inkomens.
Voor een huishouden met 2 volwassenen (waarvan één een modaal inkomen heeft) met 2 kinderen ligt de situatie ongunstiger: het netto-inkomen neemt dan nauwelijks toe. Als je vanwege het werk een auto moet aanschaffen of behoorlijke OV-kosten of andere kosten hebt, is het verschil weg of zelfs negatief.
Als een persoon WW ontvangt, loont werken doorgaans wel. Ook als je weer deels gaat werken. Je mag sowieso 30% van de inkomsten houden. Door de arbeidskorting houd je meer over van het brutosalaris dan van de bruto-uitkering. Een uitzondering vormt de situatie waarbij een persoon net meer dan 87,5% brutosalaris heeft. Je krijgt weliswaar arbeidskorting, maar je mist dan wel de gehele uitkering. Je ontvangt dan wel meer dan met alleen WW, maar net onder de 87,5% had je door de aanvulling op de WW meer ontvangen dan als je bijvoorbeeld 88% zelf verdient.
Als je een uitkering hebt, loont werken dus in bepaalde gevallen. Maar, soms niet en de mate waarin werken loont verschilt sterk per persoonlijke situatie en hoeveel je zelf weer kunt verdienen.
Meer uren werken
Of meer uren gaan werken loont, hangt een beetje af van de samenstelling van het huishouden. Immers, 2 mensen ontvangen bijvoorbeeld meer huurtoeslag.
Het grootste effect zit in de hoogte van het bruto-inkomen. Als je net in het gebied zit met de hoogste Marginale Druk (MD), dan raak je een groter deel van je netto-inkomen kwijt dan als je daarbuiten valt. In de voorbeelden die hiervoor zijn genoemd, loopt het op tot 94%. Ofwel, je houdt maar 6 euro over van 100 euro extra.
De lage inkomens, net boven bijstand, hebben de laagste MD. Vooral de alleenwonenden, die een hele lage MD hebben. Maar, vanaf 2.000 euro brutosalaris loopt het hard op.
De hoge MD loopt door t/m de middeninkomens, waarin de meeste mensen zitten, die hebben de hoogste MD. Vooral huurders, waarbij de MD boven de 60% ligt, tot dus 94%.
Inkomens boven de 2 keer modaal zitten redelijk stabiel, de MD ligt tussen de 50% en 60%.
Kwalitatieve investering
De vraag in hoeverre een kwalitatieve investering loont is lastiger de beantwoorden.
Als je binnen je eigen organisatie door het volgen van een opleiding of door extra inzet een hogere functie krijgt, met een andere salarisschaal, dan is het effect op het netto-inkomen waarschijnlijk positief. Je gaat er behoorlijk (IC-Verpleegkundige) tot heel veel (Medisch Specialist) op vooruit.
Hier speelt deels hetzelfde als meer uren werken: het is maar net in welk gebied je zit qua Marginale Druk (MD) hoeveel je er netto op vooruit gaat.
Een verschil wordt ook veroorzaakt door het verschil tussen periodieken. Bij lage salarisschalen levert een periodiek hoger veel minder brutosalaris op dan bij hogere salarisschalen.
Dus, lagere- en middenfuncties worden minder beloond voor een investering, waarbij de oorzaak bij lage inkomens in de kleine stappen in de salarisschaal ligt en bij middeninkomens door de hoge MD.
Des te hoger de functie, des te hoger het effect op het netto-inkomen. Enerzijds door grotere sprongen van de periodieken, anderszijds vanwege minder hoge MD dan middeninkomens.
Daarnaast kan het verkrijgen van een andere functie leiden tot andere secundaire arbeidsvoorwaarden (bijvoorbeeld geen ORT meer) en moet je dat meewegen. Dit is een bekend verschijnsel binnen de zorgorganisaties: je promoveert naar een leidinggevende functie. Je krijgt wel een hogere salarisschaal, maar door de hoge MD levert het netto sowieso weinig op en door het verminderen van ORT ga je er netto op achteruit.
Nog twee situaties belicht, analoog aan de voorbeelden die hierboven zijn gegeven:
Mbo-er -> Hbo-opleiding. De gemiddelde maximumsalarissen waren 3.506 en 5.068 (incl. evt. 13e maand en vakantiebijslag). Als je rekent met de brutosalarissen, zou je het in 8 jaar terugverdienen (of paar jaar minder, of paar jaar meer). Daarna verdien je zo’n 1.500 euro bruto per maand meer. Echter, netto is het een ander bedrag. Stel je bent alleenwonend, woont in een huurhuis van 950 euro, hebt 1 kind met 3 dagen kinderopvang dan houd je van de goed 1.500 extra brutosalaris zo’n 300 euro netto over (met dank aan https://hoeveelgeldkrijgik.nl/). Maar, het inhalen van de jaar of paar jaar niet verdienen, moet dan ook in netto worden omgezet. Dan zal die 8 jaar iets langer duren, je houdt immers netto minder over als je meer verdient. Het terugverdienen van de opleidingskosten gaat ook langzamer, die waren immers netto. Maar, stel je werkt na dat inhalen nog 25 jaar (tot AOW), dan ontvang je netto dan wel zo’n 90.000 euro meer dan met een Mbo-opleiding. Of dat het de investering waard is, inclusief het risico van het niet halen van de Hbo-opleiding, is een persoonlijke keuze. Het loont, maar of het genoeg loont, is nogal persoonlijk.
In het voorbeeld van de promotie van Verpleegkundige naar IC-verpleegkundige is het verschil per maand (incl. 13e maand en vakantiegeld) een sprong van 5.312 naar 6.130. Dit klinkt veel, maar stel je bent alleenwonend, woont in een huurhuis van 950 euro, hebt 1 kind met 3 dagen kinderopvang, dan houd je van de goed 800 extra brutosalaris zo’n 300 euro netto over (met dank aan https://hoeveelgeldkrijgik.nl/). Maar, je hebt iets eigen tijd hoeven te investeren naast je werk en kon gewoon je inkomen houden. Zo’n sprong loont dan meer dan een Mbo->Hbo-opleiding investering.
(Het toeval wil dat in beide gevallen het netto verschil ongeveer 300 euro is, is puur toeval. De precieze bedragen waren 304 c.q. 297 euro.)
Tot slot nog een heel andere sprong: een sollicitatie naar eenzelfde functie als je al vervult, maar dan in een andere sector. Zoals aangegeven, dat kan vele honderden euro’s per maand opleveren. Zolang er geen landelijk functiewaarderingssysteem is, zal dit soort ongelijkheid blijven bestaan. Werken loont in de ene sector dus meer dan in de andere, ook al is het werk exact gelijk en werk je evenveel uren. En een sollicitatie naar een functie is een geringe inspanning, die dus zeker uit kan. Mits je naar een betere sector overstapt.
Als een huishouden bijstand ontvangt en de alleenwonende of één van de samenwonenden gaat via een loondienstverband werken, dan loont werken niet totdat de grens van de bijstand is bereikt. Alhoewel er regelingen zijn die dat tijdelijk (iets) opvangen, in de basis word je pas beloond voor het werken als je boven de bijstand uitkomt. Daarbij wordt het nettosalaris vergeleken met de netto-bijstand. Tot dat moment lever je al het geld in bij de gemeente.
Boven de bijstandsgrens loont werken voor een alleenwonende dan aanvankelijk zeker. Hij/zij heeft dan een netto-inkomen die een kleine 600 euro hoger ligt dan de bijstand. De eerste euro’s boven het niveau van de bijstand worden weinig belast en houdt men de toeslagen en vergoedingen voor lage inkomens.
Voor een huishouden met 2 volwassenen (waarvan één een modaal inkomen heeft) met 2 kinderen ligt de situatie ongunstiger: het netto-inkomen neemt dan nauwelijks toe. Als je vanwege het werk een auto moet aanschaffen of behoorlijke OV-kosten of andere kosten hebt, is het verschil weg of zelfs negatief.
Als een persoon WW ontvangt, loont werken doorgaans wel. Ook als je weer deels gaat werken. Je mag sowieso 30% van de inkomsten houden. Door de arbeidskorting houd je meer over van het brutosalaris dan van de bruto-uitkering. Een uitzondering vormt de situatie waarbij een persoon net meer dan 87,5% brutosalaris heeft. Je krijgt weliswaar arbeidskorting, maar je mist dan wel de gehele uitkering. Je ontvangt dan wel meer dan met alleen WW, maar net onder de 87,5% had je door de aanvulling op de WW meer ontvangen dan als je bijvoorbeeld 88% zelf verdient.
Als je een uitkering hebt, loont werken dus in bepaalde gevallen. Maar, soms niet en de mate waarin werken loont verschilt sterk per persoonlijke situatie en hoeveel je zelf weer kunt verdienen.
Meer uren werken
Of meer uren gaan werken loont, hangt een beetje af van de samenstelling van het huishouden. Immers, 2 mensen ontvangen bijvoorbeeld meer huurtoeslag.
Het grootste effect zit in de hoogte van het bruto-inkomen. Als je net in het gebied zit met de hoogste Marginale Druk (MD), dan raak je een groter deel van je netto-inkomen kwijt dan als je daarbuiten valt. In de voorbeelden die hiervoor zijn genoemd, loopt het op tot 94%. Ofwel, je houdt maar 6 euro over van 100 euro extra.
De lage inkomens, net boven bijstand, hebben de laagste MD. Vooral de alleenwonenden, die een hele lage MD hebben. Maar, vanaf 2.000 euro brutosalaris loopt het hard op.
De hoge MD loopt door t/m de middeninkomens, waarin de meeste mensen zitten, die hebben de hoogste MD. Vooral huurders, waarbij de MD boven de 60% ligt, tot dus 94%.
Inkomens boven de 2 keer modaal zitten redelijk stabiel, de MD ligt tussen de 50% en 60%.
Kwalitatieve investering
De vraag in hoeverre een kwalitatieve investering loont is lastiger de beantwoorden.
Als je binnen je eigen organisatie door het volgen van een opleiding of door extra inzet een hogere functie krijgt, met een andere salarisschaal, dan is het effect op het netto-inkomen waarschijnlijk positief. Je gaat er behoorlijk (IC-Verpleegkundige) tot heel veel (Medisch Specialist) op vooruit.
Hier speelt deels hetzelfde als meer uren werken: het is maar net in welk gebied je zit qua Marginale Druk (MD) hoeveel je er netto op vooruit gaat.
Een verschil wordt ook veroorzaakt door het verschil tussen periodieken. Bij lage salarisschalen levert een periodiek hoger veel minder brutosalaris op dan bij hogere salarisschalen.
Dus, lagere- en middenfuncties worden minder beloond voor een investering, waarbij de oorzaak bij lage inkomens in de kleine stappen in de salarisschaal ligt en bij middeninkomens door de hoge MD.
Des te hoger de functie, des te hoger het effect op het netto-inkomen. Enerzijds door grotere sprongen van de periodieken, anderszijds vanwege minder hoge MD dan middeninkomens.
Daarnaast kan het verkrijgen van een andere functie leiden tot andere secundaire arbeidsvoorwaarden (bijvoorbeeld geen ORT meer) en moet je dat meewegen. Dit is een bekend verschijnsel binnen de zorgorganisaties: je promoveert naar een leidinggevende functie. Je krijgt wel een hogere salarisschaal, maar door de hoge MD levert het netto sowieso weinig op en door het verminderen van ORT ga je er netto op achteruit.
Nog twee situaties belicht, analoog aan de voorbeelden die hierboven zijn gegeven:
Mbo-er -> Hbo-opleiding. De gemiddelde maximumsalarissen waren 3.506 en 5.068 (incl. evt. 13e maand en vakantiebijslag). Als je rekent met de brutosalarissen, zou je het in 8 jaar terugverdienen (of paar jaar minder, of paar jaar meer). Daarna verdien je zo’n 1.500 euro bruto per maand meer. Echter, netto is het een ander bedrag. Stel je bent alleenwonend, woont in een huurhuis van 950 euro, hebt 1 kind met 3 dagen kinderopvang dan houd je van de goed 1.500 extra brutosalaris zo’n 300 euro netto over (met dank aan https://hoeveelgeldkrijgik.nl/). Maar, het inhalen van de jaar of paar jaar niet verdienen, moet dan ook in netto worden omgezet. Dan zal die 8 jaar iets langer duren, je houdt immers netto minder over als je meer verdient. Het terugverdienen van de opleidingskosten gaat ook langzamer, die waren immers netto. Maar, stel je werkt na dat inhalen nog 25 jaar (tot AOW), dan ontvang je netto dan wel zo’n 90.000 euro meer dan met een Mbo-opleiding. Of dat het de investering waard is, inclusief het risico van het niet halen van de Hbo-opleiding, is een persoonlijke keuze. Het loont, maar of het genoeg loont, is nogal persoonlijk.
In het voorbeeld van de promotie van Verpleegkundige naar IC-verpleegkundige is het verschil per maand (incl. 13e maand en vakantiegeld) een sprong van 5.312 naar 6.130. Dit klinkt veel, maar stel je bent alleenwonend, woont in een huurhuis van 950 euro, hebt 1 kind met 3 dagen kinderopvang, dan houd je van de goed 800 extra brutosalaris zo’n 300 euro netto over (met dank aan https://hoeveelgeldkrijgik.nl/). Maar, je hebt iets eigen tijd hoeven te investeren naast je werk en kon gewoon je inkomen houden. Zo’n sprong loont dan meer dan een Mbo->Hbo-opleiding investering.
(Het toeval wil dat in beide gevallen het netto verschil ongeveer 300 euro is, is puur toeval. De precieze bedragen waren 304 c.q. 297 euro.)
Tot slot nog een heel andere sprong: een sollicitatie naar eenzelfde functie als je al vervult, maar dan in een andere sector. Zoals aangegeven, dat kan vele honderden euro’s per maand opleveren. Zolang er geen landelijk functiewaarderingssysteem is, zal dit soort ongelijkheid blijven bestaan. Werken loont in de ene sector dus meer dan in de andere, ook al is het werk exact gelijk en werk je evenveel uren. En een sollicitatie naar een functie is een geringe inspanning, die dus zeker uit kan. Mits je naar een betere sector overstapt.
Voetnoot
Het maakt veel uit wat je investering is en om welke persoonlijke situatie en salarisgroep het gaat. De ene investering loont veel meer dan de ander. Maar, om te concluderen dat werken loont of niet is behoorlijk persoonlijk. De één zal zeggen dat 1 euro netto per maand erbij fantastisch is en dat werken dus loont, de ander zal met 1.000 euro netto per maand erbij niet tevreden zijn en vinden dat het werken te weinig oplevert.
Feit is wel dat het enorm verschilt en dat de oorzaak voor een belangrijk deel ligt in het complexe en ondoorzichtige systeem van inkomstenbelasting, kortingen en toeslagen.
Feit is wel dat het enorm verschilt en dat de oorzaak voor een belangrijk deel ligt in het complexe en ondoorzichtige systeem van inkomstenbelasting, kortingen en toeslagen.