Leuker kunnen we het niet maken, wel makkelijker.
Dat was de slogan van de Nederlandse Belastingdienst (1993 en 2019).
Er werd (o.a.?) op de inkomstenbelasting gedoeld. In 2019 is men ermee gestopt, na vooral kritiek op het deel 'wel makkelijker'.
Een beetje onterecht eigenlijk. De politiek en de ministeries in Den Haag ('de overheid' genoemd) bedenken de regels, de belastingdienst doet een poging het zo gemakkelijk mogelijk te maken.
De moeilijkheid komt deels door het oerwoud aan onderdelen die als inkomen worden gezien of als aftrekpost.
Maar, deels komt het ook door de berekening. Op dit laatste wordt in dit artikel de focus gelegd: hoe wordt de inkomstenbelasting en hoe worden de toeslagen berekend.
Er is een poging gedaan het politiek neutraal te houden, dus geen uitleg van waarom iets is als het is of pleidooi voor verandering. Enig cynisme kon niet worden onderdrukt.
Waarom makkelijk doen, als het ook moeilijk kan.
Dat lijkt de slogan van de overheid.
De berekening van de inkomstenbelasting zelf vergt enig wiskundig inzicht. De berekening van de diverse kortingen op de inkomstenbelasting vergt bij sommige ook een wiskundeknobbeltje (bijv. Arbeidskorting), maar soms zal een professor Wiskunde én Nederlandse taal nodig zijn om eruit te komen (Combinatiekorting, zie ook de toelichting hieronder).
De berekeningen van sommige toeslagen zijn ook erg complex. Ze lijken tot stand te zijn gekomen via een wedstrijd onder wiskundigen: wie kan de ingewikkelste berekening bedenken. De berekening van de winnaar is vervolgens toegepast.
Ze lijken qua opzet ook vaak niet op elkaar. Alsof er meerdere wedstrijden zijn geweest. Waar de één vier stappen met berekeningen nodig heeft (Zorgtoeslag), heeft een andere acht nodig (Huurtoeslag), waarbij stap acht ook nog eens bestaat uit een deel A, B en C.
Beter één tabel dan tig berekeningen
Voor de gemiddelde Nederlander is een tabel het meest makkelijk om snappen en toe te passen.
Voor de inkomstenbelasting: zoek je inkomen op en daarachter staat het percentage te betalen belasting en daarachter het bedrag. En dan gelijk met verrekening van de kortingen.
Je zou dan wellicht wel meerdere tabellen nodig zijn, bijv. bij Inkomen uit werk, Uitkering, AOW. Maar wellicht ook nog voor andere bijzondere groepen.
Voor de toeslagen is het wel wat lastiger. Naast het inkomen zijn er één of meer variabelen die een rol spelen.
- Bij de Zorgtoeslag is er één variabele, alleen 'wel of geen toeslagpartner'.
- Bij het Kindgebonden budget komt er nog een variabele bij, 'het aantal kinderen'.
- Bij de Kinderopvangtoeslag komen er nog eens drie variabelen per kind bij: 'type opvang, aantal uren en uurprijs'.
- De Huurtoeslag is bijzonder: er geldt niet de variabele 'wel of geen toeslagpartner', maar 'eenpersoons' (EP) of 'meerpersoons' (MP), waarbij ook een kind de 2e persoon kan zijn. Daarnaast speelt de variabele 'hoogte van de huur' natuurlijk een rol.
Je zou dus ook bij toeslagen met tabellen kunnen werken, maar per toeslag moet je dan wel minimaal 2 tabellen hebben, met dan bij twee toeslagen toch ook nog één of meer berekeningen.
Een plaatje zegt meer dan duizend getallen
Als je een tabel omzet in een grafiek, wordt in één oogopslag het effect van de berekening van de inkomstenbelasting en een toeslag duidelijk. Daarmee ontstaat inzicht in de werking in de praktijk. Beter dan (tig) formules.
En dat wordt hieronder dan ook gedaan, met een korte toelichting onder elke grafiek.
Er wordt in alle grafieken uitgegaan van inkomen uit werk. Bij de inkomstenbelasting worden naast bedragen ook de percentages genoemd, bij de toeslagen alleen de bedragen.
Voor de inkomstenbelasting geldt dat het persoonsgebonden is, bij de toeslagen wordt gekeken naar het gezamenlijk inkomen.
Alle bedragen zijn maandbedragen. Het bruto inkomen (telkens onderaan in de grafiek) is incl. vakantiebijslag, 13e maand, etc., maar ook incl. hypotheekrente aftrek, bijtellingen voor leaseauto, etc..
Voor het bruto inkomen geldt dus feitelijk dat het het jaarinkomen is, gedeeld door 12.
Geheel onderaan worden een paar algemene effecten getoond en toegelicht, dus van de inkomstenbelasting én toeslagen gezamenlijk.

Tot bijna 1.000 euro bruto inkomen per maand hoeft er geen inkomstenbelasting te worden betaald. Dit komt omdat de kortingen gezamenlijk hoger zijn dan het bedrag van de inkomstenbelasting.
Tot goed 3.200 euro geldt er één percentage inkomstenbelasting (35,82%). Maar, doordat de kortingen eerst stijgen (tot zo'n 3.600 bij Arbeidskorting, tot zo'n 900 bij Algemene heffingskorting), daarna soms gelijk blijven (Algemene heffingskorting) en daarna dalen (vanaf 3.200 c.q. 2.400), buigt de lijn. Na 3.200 is het percentage inkomstenbelasting over de euro's boven de 3.200 eerst iets hoger (37,48%), vanaf 6.400 nog hoger (49,50%). Maar, de kortingen worden afgebouwd. De Arbeidskorting is bij 10.000 per maand 49 euro, de Algemene heffingskorting is vanaf zo'n 6.400 per maand 0 euro.
Door die geleidelijke opbouw van het percentage inkomstenbelasting en afbouw kortingen, zijn er feitelijk twee buigende lijnen te zien, tussen 1.000 en 2.000, daarna springt ie omhoog en buigt langszaam weer af.
Mensen die meer dan zo'n 6.400 of meer euro bruto per maand ontvangen, roepen vaak dat ze 49,5% belasting betalen. Dat klopt dus deels. Over de extra verdiende euro is het 49,5%. Maar over alle euro's is het altijd minder dan 49,5%. Zelfs bij 10.000 per maand is hij nog maar net boven de 40%. En 49,5% wordt het nooit, doordat over de eerste euro's minder belasting wordt betaald en kortingen worden gegeven.

Hier zijn twee strakke lijnen te zien. Tot zo'n 2.400 euro bruto inkomen per maand is het een vast bedrag, daarna daalt het. Bij 10.000 euro bruto inkomen per maand is het toch nog net geen 0 euro (dat is wel het geval bij zo'n 12.500 euro).
Als de ouder 1 kind heeft, gaat er bij een laag inkomen goed 200 euro af, dan wordt het 491.
Als er twee ouders zijn, met 1 kind, bedraagt de toeslag 209 euro, minder dan de helft dus dan bij 1 ouder.
Tot slot, als er twee ouders met 2 kinderen zijn, bedraagt de toeslag 418 euro.
De veranderingen zijn niet echt synchroom. Bij twee ouders verdubbelt de toeslag ruim als er een 2e kind bij komt. Als 1 ouder een 2e kind krijgt, gaat het bedrag van 491 naar slechts 700 euro.
Voor een 3e kind ontvangt men 209 euro extra. Opmerkelijk: dit geldt bij 1 ouder maar ook bij 2 ouders.
Om het volledig te maken, er gelden ook toeslagen voor kinderen van 12 t/m 15 (58 euro) en 16 en 17 (77 euro).
De berekening, en daarmee dus de lijn zoals in de grafiek is te zien, blijft wel gelijk. Alleen, hoe hoger het bedrag bij geen inkomen, des te langer ontvangt men deze toeslag. Bij 1 ouder met 2 kinderen loopt het door tot boven de 10.000 per maand. Bij 2 ouders met 1 kind houdt het bij 6.100 euro op.

De lijn loopt hier nog iets langer door dan bij kindgebonden budget. Tot zo'n 4.000 euro bruto inkomen per maand is het bedrag 532 euro per maand.
Daarna daalt het bedrag, maar minder snel als bij kindgebonden budget en niet in een strakke lijn. Bij 10.000 per maand is de toeslag altijd nog 306 euro.
Dat de lijn niet strak naar beneden loopt komt omdat er een tabel is gehanteerd, waarbij het percentage vergoeding telkens iets lager is. Voor het eerste kind geldt dat vanaf een bruto maandinkomen van goed 13.000 euro het percentage 33,3% blijft. Voor het 2e en volgende kind zijn de percentages in de gehele tabel gelijk tot zo'n 4.000 euro bruto maandinkomen, daarna daalt het percentage wel, maar slechts half zo snel. Hij eindigt bij 67,10%, vanaf bijna 19.000 per maand.
De berekening verschilt niet tussen 1 of 2 ouders, dat maakt dus voor de kinderopvangtoeslag niet uit.

De huurtoeslag is een bijzondere.
Bij de berekening wordt onderscheid gemaakt tussen 1 persoon, 2 personen en 3 of meer personen. Daarbij maakt de leeftijd niet uit, 1 volwassene met 2 kinderen telt als 3 personen, maar 2 volwassenen met 1 kind ook.
Daarnaast speelt de huur natuurlijk een grote rol, maar ook het inkomen, zoals in de dalende lijn te zien is.
Ook is er een duidelijk verschil met de twee hiervoor getoonde toeslagen: de lijn daalt veel harder. Bij zo'n 3.400 per maand wordt er geen huurtoeslag meer uitgekeerd.
Bij 2 en 3 personen liggen de bedragen net even anders. Niet zozeer het bedrag bij laag inkomen, maar de lijn loopt minder snel naar beneden: bij zowel 2 als 3 personen is bij zo'n 4.400 de 0 eure bereikt.

Opvallend genoeg loopt de lijn ook hier eerst vlak, duikt dan net als bij de huurtoeslag vrij snel naar beneden en bereikt ook bij de 3.400 bruto inkomen per maand de 0 euro.
Bij 2 volwassenen is de zorgtoeslag bij een laag inkomen niet 2 keer zo hoog, ook al krijgt elke volwassene zelf zorgtoeslag. Bij 1 volwassene is de zorgtoeslag 130 euro, bij 2 personen niet 260 maar 248 (dus 124 per persoon).
Zoals in de inleiding hierboven is aangegeven, dan nu de blik op het effect van de inkomstenbelasting én toeslagen gezamenlijk.
Om maximaal inzicht te krijgen, wordt uitgegaan van een gezin met 2 volwassenen en 1 kind, die Dagopvang afneemt. Ze hebben een huurhuis, waarvoor ze 710 euro per maand betalen.
Zij krijgen dus alle toeslagen die er zijn.
Ook een volledig beeld te krijgen, is ook de kinderbijslag toegevoegd en zijn de kosten van de kinderopvang afgetrokken van het netto inkomen.

In deze grafiek is te zien hoeveel procent van het bruto inkomen men na de betaling van de inkomstenbelasting en verkrijging van de toeslagen overhoudt.
Hij is wat lastig leesbaar, omdat bij een bruto inkomen van 100 euro men wel toeslagen krijgt, en dus het netto inkomen enorm stijgt.
Door die piek is slecht af te lezen wat huishoudens vanaf zo'n 2.500 ontvangen. Daarom is de volgende grafiek gemaakt.

Bij een bruto inkomen van 2.500 ontvangt men dus een hoger netto inkomen dan het bruto inkomen. Het netto bedrag is 3.444. (Dus incl. kinderbijslag en de kosten van de kinderopvang (555 euro per maand) is er al afgetrokken.)
Ook wel opvallend is dat de gezinnen die 10.000 per maand verdienen, toch altijd nog zo'n 60% overhouden. Ze betalen dan wel goed 40% aan inkomstenbelasting, maar ze ontvangen toch ook nog kinderbijslag (97 euro) en kinderopvangtoeslag.
N.b.: bij 2 volwassenen ontvangt een gezin die 10.000 per maand verdienen geen kindgebonden budget meer. Dat is wel zo bij 1 volwassene, zoals hierboven in de grafiek te zien is.
Ook is goed te zien dat de lijn tot 5.000 euro bruto inkomen per maand sneller daalt dan daarna.

Dit is de Marginale Druk. Dit is in 'Den Haag' een bekende term. Het geeft aan hoeveel procent iemand aan netto inkomen moet inleveren bij een stijging van het bruto inkomen, in dit geval een stijging van 100 euro.
Zoals in de vorige grafiek al was te zien, de lijn daalt snel vanaf goed 2.000 euro. Tussen de 2.500 en goed 4.000 euro bruto inkomen per maand, is de Marginale Druk veel hoger dan bij een lager of hoger salaris.
Dit komt dus doordat veel toeslagen (m.n. huurtoeslag en zorgtoeslag) snel minder worden bij het stijgen van het bruto salaris.
N.b.: de knikken in de lijn wordt veroorzaakt door de kinderopvangtoeslag, die via een tabel wordt berekend en daardoor soms gelijk blijft en dan ineens weer daalt.
De maximale waarde is 96. Dit wel zeggen dat als dit gezin 100 euro bruto per maand erop vooruit gaan, ze netto daarvan 4 euro overhouden.
Dit effect, een hoge Marginale Druk rondom het modaal inkomen, is in 'Den Haag' bekend. In een rapport is dit ook opgenomen:
Tabellen marginale druk
In diverse tabellen (helaas geen grafieken) gaat men ook uit van een huur van 710 euro. Hoeveel kinderopvang precies wordt afgenomen, is niet vermeld.